Leeuwarder Courant 03-08-2007
Oerkracht op een kerkorgel Organisten Theo Jellema en Erwin Wiersinga voeren het befaamde 'Sacre du printemps' van Stravinsky vierhandig uit op kerkorgel. ,,Het is een enorm brok vreten.''    
(Foto LC/Niels Westra)
Het moet een fantastisch tumult geweest zijn, op 29 mei 1913 in het Théâtre des Champs-‘lysées in Parijs. Die avond dirigeerde Pierre Monteux er de allereerste uitvoering van een nieuw ballet op muziek van de Rus Igor Stravinsky, de getalenteerde zoon van een operazanger en een pianiste. Sinds Stravinsky op zijn achtste een uitvoering had gezien van Tsjaikovski's 'Doornroosje' was hij voor de muziek gewonnen, op zijn negende viel hij op door zijn piano-improvisaties en hoewel hij braaf zijn rechtstudie voltooide, volgde hij als jongeman ook compositielessen bij Nikolai Rimski-Korsakov.

Inmiddels was Stravinsky dertig, woonde hij met vrouw en kind in Zwitserland en werkte hij in Parijs samen met balletvernieuwer Sergej Diaghilev, een landgenoot. Die leidde daar een gezelschap, de Ballets Russes, met inmiddels legendarische leden als Vaslav Nijinsky, bijnaam 'de vliegende danser' door de enorme sprongen die hij kon maken. Voor dat gezelschap had Stravinsky 'Le sacre du printemps' geschreven, een werk met een lieflijke titel (wijding van de lente), maar een rauwe inhoud: Stravinsky stelde zich een woest, heidens ritueel uit Rusland voor waarbij een jonge maagd zich dood danst.

Het publiek hoorde op die meiavond geen zoete, blije lentemuziek, maar luide klappen, primitieve ritmes en dissonanten van een groot orkest met flink veel slaginstrumenten. Het ballet was niet aangenaam en gracieus, zoals in die tijd vlak voor de Eerste Wereldoorlog gebruikelijk, maar woest en bijna krampachtig, meer met de heupen dan met de voeten. Geen prille, ontluikende lente, maar het losbarsten van geilheid en geweld.

Het werd een mythische première, de verhalen erover zijn steeds fantastischer geworden. Al bij de eerste klanken - een fagot zet in - wond collega-componist Camille Saint-Saëns zich zo op over het misbruik van het instrument, dat hij op hoge poten het theater verliet. Het orkest barstte vervolgens los en het publiek eveneens. Er werd gefloten, boe geroepen, voor- en tegenstanders van dit 'barbaarse' en 'seksuele' werk gingen met elkaar op de vuist.

Het geschreeuw uit de zaal was zo luid, dat de dansers het orkest niet meer hoorden. Nijinsky stond op een stoel in de coulissen en telde de maat af voor de dansers. Hoewel Diaghilev het publiek probeerde te kalmeren door met de zaallichten te knipperen, was er geen houden aan: de Parijse politie kwam er in de pauze aan te pas om de orde te herstellen. Wat maar gedeeltelijk lukte. Diaghilev had wel schik in de zaak, Stravinsky was in de pauze vertrokken, huilend volgens sommige berichten. Hij bleef componeren, maar het ingeslagen pad van deze primitieve muziek ging hij niet verder in.

,,Zo'n rumoer als toen zullen we wel niet krijgen'', zegt organist Erwin Wiersinga. ,,Maar we denken dat het nu in de kerk toch wel weer een schokje zal geven.''

Wiersinga (vaste organist van de kerk in Roden en docent aan de Berlijnse Hochschule der Künste) en Theo Jellema (zijn collega van de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden en docent aan het Prins Claus Conservatorium in Groningen) voeren 'Le sacre du printemps' drie keer uit op het Müllerorgel in de Leeuwarder kerk.

Ze zitten tijdens het instuderen als een geconcentreerde tweeling op het krappe bankje achter de drie klavieren, ingeklemd tussen twee registranten. Hun handen slaan af en toe tegen elkaar of over elkaar heen (,,Wil je geen hindernisbaan van mijn speelveld maken?'' roept Jellema boven het orgelkabaal uit) want een kerkorgel speel je niet makkelijk vierhandig.

Ze zijn al maanden met instuderen en instrumenteren bezig. ,,Niet continu hoor'', zegt Jellema. ,,Maar het is een barre klus, je kunt het niet als een tussendoortje doen. Je kunt dit alleen maar instuderen als je zelf de sleutel van de kerk hebt.'' Wiersinga beaamt: ,,Het is een enorm brok vreten.''

Voor hen staat de pianoversie à quatre mains die Stravinsky zelf van zijn werk had gemaakt. ,,Op een orgel kun je mooiere klankkleuren maken'', zegt Wiersinga, ,,dat je toch een beetje dat oergevoel krijgt.'' Daarom stoppen ze voortdurend, om aantekeningen in de partituur te maken, en tussen de noten kleine stickertjes te plakken met aanwijzingen voor de twee registranten - twee dames die aan de grote knoppen trekken die de klank van het orgel veranderen. Dit moet luider, dit scherper, dit zachter, er moet meer tongwerk bij, het moet raarder klinken, alles om het meer op de orkestversie te laten lijken.

,,Moet je dit bijvoorbeeld eens horen'', zegt Wiersinga, en glundert als een kind met een nieuw speeltje. Hij stelt de registers in en dun, oosters gefluit galmt door de kerk. ,,Dat slangenbezweerderachtige, dat kun je op een piano niet maken.''

Jellema: ,,Twee jaar geleden hebben we voor het eerst een quatre mains-concert gegeven, toen deden we''
Wiersinga: ,,Schubert.''
Jellema: ,,Schubert? Wat dan?''
Wiersinga: ,,Een deel uit een symfonie, zo'n middendeel.''
Jellema: ,,Oh ja.''
Wiersinga: ,,En Debussy.''
Jellema: ,,We vonden toen dat het een aardigheidje moest blijven, we hadden het in een week overmeesterd, één concertje, dat was het.'' Wiersinga: ,,Vorig jaar raakten we betrokken bij het Peter de Grote Festival (een zomermuziekfestival met veel concerten in en rond Groningen, red.), toen hebben we weer iets samengespeeld.''
Jellema: ,,Oude Engelse muziek, die eigenlijk voor virginaal is geschreven en een Frans stuk voor orgel. Dat was toen twee week studeren. We hebben weer gezegd, het moet een aardigheidje blijven.''
Wiersinga: ,,Dat zeggen we steeds.''

'Le sacre du printemps' kreeg na de rumoerige première al snel een grote status in de muziek: het is algemeen erkend als een keerpunt in de muziekgeschiedenis en een van de belangrijkste werken uit de vorige eeuw. Soms wordt het als balletmuziek gebruikt, beroemd zijn de ensceneringen van Maurice Béjart en Pina Bausch, soms wordt het enkel als orkestmuziek uitgevoerd.

Walt Disney gebruikte een bewerkte versie voor zijn tekenfilm 'Fantasia' uit 1940, waar hij er beelden van de oertijd bij maakte, vol dinosaurussen en vulkaanuitbarstingen. Stravinsky maakte van zijn hart geen moordkuil en had over al die uitvoeringen wel een idee. In zijn autobiografie schreef hij dat het werk destijds voor Nijinsky veel te hoog gegrepen was geweest (,,de arme jongen wist niks van muziek''), hij merkte eens op dat Herbert von Karajan het werk niet vatte en Disney had er in zijn ogen ook weinig van gebakken.

Hoe hij over orgeluitvoeringen dacht, is niet bekend.

Jellema: ,,Stravinsky heeft nooit voor orgel gecomponeerd, dat was een grote vergissing van hem. Ik denk dat hij rond 1900 alleen maar slappe romantische orgels kende. Als hij dit Müllerorgel zou horen, dan had hij wel anders gepiept. Dat romantische orgel heeft niet dat soort... eh..''
Wiersinga: ,,Venijn.''
Jellema: ,,Precies. Zo'n klassiek orgel heeft kracht en dit Leeuwarder orgel is dan ook nog eens een hele luide representant. Daarom hadden we al gauw het visioen: als je ergens de oerkracht van de 'Sacre du Printemps' kunt realiseren, dan is het hier.''

ASING WALTHAUS

De Sacre du Printemps wordt drie keer op het orgel in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden uitgevoerd. Op 6 augustus, 12.30 uur, 11 augustus 12.30 uur, 8 september, 11.00 uur